Hoge Raad over ‘Sok-ken’ en andere projectontwikkelovereenkomsten: Grenzen aan het verlenen van planologische medewerking

06 april 2017

Door Maaike de Wit

Samenwerkings- en andere projectontwikkelovereenkomsten bevatten meestal afspraken over het verlenen van planologische medewerking. De gemeente verbindt zich daarbij –  als het goed is in de vorm van een inspanningsverplichting (zie onder meer mijn annotatie bij de Hof-uitspraak inzake De Eylaenden) – om het bestemmingsplan aan te passen en de benodigde vergunningen te verlenen. Ook wordt er wel gecontracteerd over de toepassing van de Wet voorkeursrecht gemeenten en/of de Onteigeningswet. Dit soort overeenkomsten over de manier waarop een gemeente haar publiekrechtelijke bevoegdheden op grond van o.a. Wro, Wabo, Wvg, Onteigeningswet zal inzetten, worden ook wel bevoegdhedenovereenkomsten genoemd.

In zijn arrest van 24 maart jl. heeft de Hoge Raad (in vervolg op onder meer HR Etam/Zoetermeer) aangegeven in hoeverre dit soort afspraken over publiekrechtelijke bevoegdheden zijn toegestaan. De zaak ging over de zogenoemde Ruimte-voor-Regeling (RvR). Aangevoerd werd dat de afspraak over planologische medewerking een onaanvaardbare doorkruising zou zijn van het systeem van de Wro. Aan het verlenen van medewerking voor nieuwbouwwoningen was namelijk de voorwaarde verbonden dat er ergens anders in de gemeente of provincie bestaande stallen zouden worden gesloopt en dat fosfaatrechten uit de markt zouden worden gehaald. Betoogd werd dat aan de planologische medewerking alleen voorwaarden mogen worden gesteld die betrekking hebben op de planologie van dezelfde locatie en niet op andere gebieden in de gemeente of de provincie en/of op milieurechten.

De Hoge Raad oordeelt anders. In staccato samengevat overweegt hij (r.o. 3.5.2 e.v.):

  • Dat een contractuele afspraak over een publiekrechtelijke bevoegdheid is toegestaan als er sprake is van beleids- of beoordelingsvrijheid bij de uitoefening van die bevoegdheid;
  • Dat dit het geval is bij bevoegdheden op grond van de Wro;
  • Dat als er voorwaarden worden gesteld aan het uitoefenen van een bevoegdheid, die voorwaarden door de wet moeten zijn toegestaan;
  • Dat als het gaat om planologische bevoegdheden, de desbetreffende voorwaarden het doel van de ruimtelijke ordening moeten dienen.
  • En specifiek ten aanzien van de RvR-regeling oordeelde de Hoge Raad dat de voorwaarden omtrent het slopen en laten verdwijnen van fosfaatrechten toegestaan waren, nu daarmee een ruimtelijke kwaliteitsverbetering wordt gediend, ook al is dat niet binnen dezelfde locatie of gemeente.

In de praktijk

Voor de praktijk verandert er waarschijnlijk niet veel. Samenwerkings- en andere projectontwikkelovereenkomsten zijn naar hun aard immers gericht op een ruimtelijke ontwikkeling, waardoor de planologische medewerking meestal aan ruimtelijke voorwaarden wordt verbonden (b.v. voor wat betreft de planontwikkeling). Dat is dus toegestaan want dergelijke voorwaarden dienen een ruimtelijk doel. En voor het stellen van financiële voorwaarden biedt de Wro in hoofdstuk 6 een wettelijke grondslag. 

Alleen wanneer er a-typische voorwaarden worden gesteld, zoals op het gebied van b.v. milieu, economische ontwikkeling of maatschappelijke doeleinden, kan dit anders zijn. Dergelijke voorwaarden kunnen in strijd met de wet zijn en daarmee mogelijk niet afdwingbaar.

 

Terug naar overzicht