Kostenverhaal op grond van de Wet Bodembescherming

22 mei 2015

door: Joost Hoekstra

Artikel 75 lid 1 Wet bodembescherming (“Wbb”) bepaalt dat de Staat de door gemaakte kosten van onderzoek en sanering kan verhalen op degene door wiens onrechtmatige daad de bodemverontreiniging is ontstaan. Ook gemeenten en provincies hebben dit verhaalsrecht, wanneer zij deze kosten voor hun rekening hebben genomen of wanneer de Staat niet tot kostenverhaal overgaat.

Privaatrechtelijk kostenverhaal door de overheid

De Hoge Raad diende begin dit jaar de vraag te beantwoorden of artikel 75 Wbb een exclusieve regeling betreft, of dat de gemeente in kwestie – Haarlem – de kosten van onderzoek en sanering ook kon verhalen via artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (“BW”), het “gewone” onrechtmatige daadsartikel.

Artikel 75 Wbb omvat – als gezegd – een grondslag voor kostenverhaal door de overheid op degene door wiens onrechtmatige daad de bodemverontreiniging is ontstaan. Het gaat hierbij bij uitstek om verontreinigingen veroorzaakt ná 1 januari 1975. Deze grens is bepaald naar aanleiding van een tweetal arresten van de Hoge Raad uit 1992 (zie HR 24 april 1992, NJ 1993, 643 en 644.) Hierin kwam de Hoge Raad namelijk tot de conclusie dat het omstreeks 1975 voor degenen die belast waren met het exploiteren van een onderneming, waarbij bodemverontreiniging veroorzaakt kon worden, voldoende duidelijk was dat de overheid zich niet zou beperken tot het invoeren van strengere regelgeving op dit vlak, maar ook tot actie zou overgaan en daarbij voor saneringskosten zou komen te staan.

Voor verontreinigingen van vóór 1975 geldt een verzwaard regime (zie artikel 75 lid 5 Wbb): er moet sprake zijn van “ernstige verwijtbaarheid” aan de zijde van de vervuiler, bijvoorbeeld opzettelijk of bewust roekeloos handelen. Uit de rechtspraak volgt dat niet snel aan dit criterium wordt voldaan.

Voor het beleid van de Staat met betrekking tot kostenverhaal op de voet van artikel 75 Wbb is de “Beleidsregel kostenverhaal, artikel 75 Wbb” van belang. Deze beleidsregel is te downloaden van www.rijksoverheid.nl. In deze beleidsregel valt te lezen in welke gevallen de Staat in de regel overgaat tot kostenverhaal.

Artikel 75 lid 1 Wbb bevat een verwijzing naar aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. Daarom rijst de vraag of naast het verhaal op basis van artikel 75 nog plaats is voor een vordering op grond van onrechtmatige daad op grond van artikel 6:162 BW.

Ter korte toelichting op dit artikel: op grond van artikel 6:162 BW worden als onrechtmatige daad aangemerkt 1) een inbreuk op een recht; 2) een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht; en 3) een doen of nalaten in strijd met een zorgvuldigheidsnorm. Voor aansprakelijkheid ex art. 6:162 BW dient voldaan te zijn aan een vijftal vereisten: onrechtmatige daad, toerekenbaarheid van de daad aan de dader, schade, causaal verband tussen daad en schade, en relativiteit.

Het arrest van 9 januari 2015

De zaak draait om de bodemverontreiniging van het voormalige bedrijfscomplex van drukkerij Joh. Enschedé BV in Haarlem. De gemeente Haarlem heeft dit complex in 1987 gekocht. Vervolgens is de drukkerij gefaseerd ontruimd. In die periode (1991-1992) bleek uit onderzoeksrapporten dat de bodem van het bedrijfsterrein en van omliggende percelen ernstig tot zeer ernstig is verontreinigd.

De gemeente is nadien een procedure gestart om de kosten van bodemsanering op de voormalige eigenaar van het complex te verhalen. Daarbij dient te worden bedacht dat in de koopovereenkomst tussen de gemeente en deze voormalige eigenaar een exoneratieclausule was opgenomen. Hierdoor kon de gemeente de kosten niet meer op “verkoper” Enschedé verhalen. De gemeente was echter ook eigenaar van de omringende gronden en poogde (ook) de kosten op Enschedé te verhalen in zijn hoedanigheid van “buurman”.

De rechtbank en het hof hebben de vorderingen van de gemeente afgewezen. Het hof overwoog onder meer dat voor schadevergoeding alleen plaats zou zijn indien aannemelijk was dat de Gemeente als gevolg van de onrechtmatige daad inderdaad enige schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. In dat kader achtte het hof van belang dat op grond van artikel 75 Wbb de ten laste van de gemeente komende kosten van onderzoek sanering kunnen worden verhaald op degene door wiens onrechtmatige daad de bodem is verontreinigd.

De Hoge Raad heeft het arrest van het hof vernietigd. Daartoe overweegt de Hoge Raad dat het hof niet heeft toegelicht waarom naar zijn oordeel “niet valt in te zien” dat de gemeente als eigenaar kosten zal maken voor onderzoek en sanering van haar terreinen en dat het hof aldus onvoldoende inzicht in haar gedachtegang heeft gegeven. Volgens de Hoge Raad is als uitgangspunt juist aannemelijk dat een grondeigenaar schade zal lijden in verband met onderzoek en sanering indien zijn grond zodanig verontreinigd blijkt dat sanering noodzakelijk is.

De Hoge Raad vervolgt met de opmerking dat indien het hof zijn oordeel mede heeft gebaseerd op zijn overweging dat gemeenten de kosten van onderzoek en sanering kunnen verhalen op grond van artikel 75 lid 1 Wbb, het hof heeft miskend dat die bepaling onverlet laat dat de overheid (ook) op de grondslag van onrechtmatige daad vergoeding kan vorderen van schade die het in de hoedanigheid van grondeigenaar lijdt wegens kosten van onderzoek en sanering.

Conclusie

De kostenverhaalsregeling van artikel 75 Wbb is in de ogen van de Hoge Raad geen exclusieve regeling. De overheid die als eigenaar van verontreinigde grond, kosten van onderzoek en sanering wenst te verhalen op de veroorzakende buurman, heeft dus twee wegen tot zijn beschikking: het “specifieke” artikel 75 Wbb én het “gewone” artikel 6:162 BW. In beide gevallen is voor de aansprakelijkheid jegens de overheid van belang de vraag of de veroorzaker zich ten tijde van de veroorzaking van de verontreiniging het belang van de overheid, die tot actie zou overgaan en daarbij voor saneringskosten zou komen te staan, had behoren aan te trekken. In beide gevallen zal echter gelden dat verhaal van kosten van onderzoek en sanering met betrekking tot een vóór 1 januari 1975 veroorzaakte verontreiniging buitengewoon lastig zal zijn.
    

 

Terug naar overzicht