Artikel 6.37 Bouwbesluit, een sta-in-de-weg voor vergunningverlening

14 juli 2017

door: Jasper Wesselman

Blog bij de uitspraak ABRvS 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1266 – eerder gepubliceerd in Actualiteiten Bouwrecht

Een ontwikkelaar vroeg aan de gemeente Zutphen een omgevingsvergunning voor bouwen voor een project van zeven woningen in het plangebied ‘Leesden’. Hoewel de grond bestemd was voor wonen, weigerde het college van B&W van Zutphen (“College”) de gevraagde vergunning. Reden voor weigering was het gebrek aan een verbindingsweg voor hulpdiensten op de desbetreffende locatie. De bezwaren van de ontwikkelaar tegen de weigering werden ongegrond verklaard. Bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) ligt de vraag voor of de vergunning terecht geweigerd was.

Weigering van de vergunning

Op grond van artikel 2.10 lid 1 en onder a. Wabo wordt een omgevingsvergunning voor bouwen geweigerd als de aanvrager – naar het oordeel van het bevoegd gezag – niet aannemelijk maakt dat het bouwwerk voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit. Uit artikel 6.35 Bouwbesluit 2012 (“Bouwbesluit”) volgt dat een woning bereikbaar moet zijn voor hulpdiensten zoals de brandweer en (medische) hulpverleners. Uit artikel 6.37 Bouwbesluit volgt voorts dat tussen de toegang van een woning en de openbare weg een verbindingsweg ligt die geschikt is voor de voertuigen van de brandweer en andere hulpdiensten. Die verbindingsweg hoeft er niet te liggen als de toegang tot de woning maximaal 10 meter van een openbare weg ligt, of als de aard, ligging of gebruik van de woning naar het oordeel van het bevoegd gezag geen verbindingsweg vereist.

Volgens het College kon geen vergunning worden verleend omdat niet voldaan werd aan de vereisten van artikel 6. 35 en 6.37 van het Bouwbesluit. De beoogde locatie voor de zeven woningen werd nog ontwikkeld, er was onvoldoende duidelijkheid over de eventuele komst van een weg om de woningen te ontsluiten en het College achtte het waarschijnlijk dat die weg geheel niet zou worden gerealiseerd. Mede gelet op de omstandigheid dat geen overeenstemming over de exploitatie van de desbetreffende gronden zou worden bereikt.

Oordeel rechtbank

De rechtbank Gelderland oordeelde in beroep dat het besluit op bezwaar gebrekkig was gemotiveerd. De rechtbank overwoog dat een ontsluiting van de woonpercelen planologisch was toegestaan, een dergelijke ontsluiting was gebaseerd op verkavelingsplannen zoals die in het verleden waren opgesteld en dat een dergelijke ontsluiting niet op verkeerskundige bezwaren stuitte. Voorts bestond er een redelijke mate van consensus over de invulling van het gebied, zodat het College zich volgens de rechtbank niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen weg zal worden aangelegd. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat de ontwikkelaar al kosten had gemaakt voor de aanleg van riolering. De omstandigheid dat de gronden waarop de percelen zouden moeten worden ontsloten gedeeltelijk in eigendom zijn van de gemeente, was volgens de rechtbank geen reden voor onvoorwaardelijke weigering van de vergunning.

Oordeel Afdeling

De Afdeling overweegt dat er ten tijde van het besluit tot weigering van de vergunning, noch ten tijde van het besluit op bezwaar ter plaatse een weg aanwezig was. Een in het verleden aanwezige bouwstraat was destijds al verwijderd. Verder staat vast dat de geplande woningen op meer dan 10 meter afstand van de openbare weg gelegen zijn, zonder aanwezige verbindingsweg. Destijds stond naar het oordeel van de Afdeling niet vast dát er een ontsluitings- c.q. verbindingsweg zou worden gerealiseerd, wat de achtergrond daar ook van mag zijn. Onder die omstandigheden zijn naar het oordeel van de Afdeling de geplande woningen niet toegankelijk voor hulpdiensten. Aldus had het College zich terecht op het standpunt gesteld dat niet voldaan is aan de vereisten van artikel 6.35 en 6.37 Bouwbesluit en dat de vergunning moet worden geweigerd. Ook heeft de rechtbank volgens de Afdeling niet onderkend dat niet van betekenis is of aannemelijk is dat een weg alsnog zal worden gerealiseerd.

De vraag of het College verplicht is tot medewerking aan de aanleg van een weg op basis van oude verkavelingsplannen of vanwege de aangelegde riolering is civielrechtelijk van aard en kan volgens de Afdeling om die reden niet worden betrokken bij het oordeel over de weigering van de vergunning.

Commentaar

Een ontwikkelaar moet zijn woningbouwproject kunnen ontsluiten middels een verbindingsweg tussen de woningen en de openbare weg. Dat moet een ontwikkelaar zelf faciliteren, bijvoorbeeld door de aangrenzende grond tussen het bouwproject en de openbare weg te kopen of anderszins een regeling met de eigenaar van die grond te treffen. Die grond moet uiteraard wel bestemd zijn voor de aanleg van een verbindingsweg, anders moet nog worden voorzien in een wijziging van de bestemming of toestemming voor strijdig gebruik.

Zie bijvoorbeeld de zaak ECLI:NL:RBROT:2014:10367 waarin sprake was van een gefaseerde aanvraag van een omgevingsvergunning (artikel 2.5 Wabo) voor een bouwproject in de gemeente Dordrecht. Fase 1 van de aanvraag had betrekking op de activiteiten bouwen en aanleg van de verbindingsweg, fase 2 op gebruik van de grond in strijd met het bestemmingsplan ten behoeve van de verbindingsweg. Omdat niet zeker was dat de beschikking Fase 2 de eindstreep zou halen vanwege (kortgezegd) gerezen bezwaren van belanghebbenden, had het college van B&W van Dordrecht de beschikking voor Fase 1 maar vast geweigerd. Ten onrechte, aldus de rechtbank Rotterdam. Omdat  de omgevingsvergunning pas van kracht zou worden op het moment dat de verbindingsweg ontegenzeggelijk onderdeel zou vormen van de beschikking Fase 2, kwam het de rechtbank voor dat het al in het kader van de beschikking Fase 1 voldoende aannemelijk was dat zou worden voldaan aan artikel 6.37 van het Bouwbesluit. De gefaseerde verlening van de omgevingsvergunning vindt immers (anders dan bij deelvergunningen) plaats op grond van twee aanvragen en resulteert dus in twee beschikkingen die tezamen één omgevingsvergunning vormen.

De ontwikkelaar uit de Zutphense zaak was echter nog niet zo ver, want uit de uitspraak van de Afdeling leid ik af dat de Gemeente geen medewerking verleende aan gebruik van haar grond voor de verbindingsweg (het vonnis van de rechtbank is niet gepubliceerd). Ik heb de indruk dat de rechtbank Gelderland dat niet redelijk van de Gemeente vond. Echter, dat is geen omstandigheid die relevant is voor het toetsingskader waarin wordt voorzien door de Wabo en het Bouwbesluit. Mede omdat de uitkomst van de civielrechtelijke discussie over een eventuele verplichting van de Gemeente tot medewerking aan de aanleg van een verbindingsweg nog onzeker was, stond nog niet vast dat de verbindingsweg er daadwerkelijk zou komen. Daarom moest de omgevingsvergunning voor bouwen worden geweigerd (artikel 2.10 lid 1 sub a. Wabo is limitatief imperatief geformuleerd).

De Afdeling keurt het niet goed dat de bestuursrechter buiten het toetsingskader van de Wabo en het Bouwbesluit treedt en bij zijn oordeel een voorschot neemt op de uitkomst van een civielrechtelijke discussie. De ontwikkelaar had er goed aan gedaan om eerst die discussie in positieve zin af te ronden, alvorens de vergunningaanvraag in behandeling te laten nemen.

 

Jasper Wesselman

Advocaat bij Straatman Koster Advocaten

 

 

 

 

Terug naar overzicht