Gemeentelijk kostenverhaal bij asbestbrand

20 juni 2016

door: Joost Hoekstra

Indien gemeenten de gevolgen van een asbestbrand ongedaan willen maken, hebben zij een aantal mogelijkheden om op te treden. Artikel 1a Woningwet verplicht de eigenaar om – kort gezegd – zijn perceel zodanig te houden, dat daarvan geen gevaar voor anderen uitgaat. Indien door een brand asbestdeeltjes verspreiden, kan sprake zijn van een dergelijk gevaar. De eerste mogelijkheid die de gemeente heeft, is dan ook bestuursrechtelijk optreden op de voet van de Woningwet. Wanneer bestuursrechtelijke handhaving er vervolgens toe leidt dat de gemeente zelf optreedt, kan de gemeente via een kostenverhaalsbeschikking en dus via het bestuursrecht kosten verhalen. Kan de gemeente in plaats daarvan ook de privaatrechtelijke weg kiezen, door feitelijk zelf te saneren en de kosten dan via het privaatrecht – bijvoorbeeld via een onrechtmatige daadsactie – te verhalen? Over die vraag gaat een vonnis van 9 maart 2016 van de Rechtbank Noord-Nederland.

De feiten

De zaak draait om een brand in een loods met een asbesthoudend dak in de gemeente Littenseradiel. Uit een brandweerrapport bleek dat er asbestvezels waren vrijgekomen. De gemeente gaf vrijwel direct een spoedopdracht gaf om de asbestvezels binnen 24 uur te verwijderen. De gemeente stelde de veroorzaker aansprakelijk voor de schade, die de gemeente had geleden en nog zou lijden ten gevolge van die brand, waaronder de kosten van asbestopruiming. Die asbestopruiming vond in opdracht van de gemeente plaats, waarbij zowel openbare terreinen als private percelen zijn gereinigd. De gemeentelijke vordering bedroeg al met al circa EUR 150.000,--. Omdat de veroorzaker van de brand en de eigenaar van de loods weigerden te betalen, startte de gemeente een gerechtelijke procedure. De gemeente beriep zich daarin op de opstalaansprakelijkheid van artikel 6:174 BW, op de onrechtmatige daad van artikel 6:162 BW, op het burenrechtelijke artikel 5:37 BW en tenslotte ook nog op de figuur van de ongerechtvaardigde verrijking van artikel 6:212 BW.

Onaanvaardbare doorkruising publiekrecht?

Gedaagden verdedigden zich als eerste met de stelling dat de gemeente niet-ontvankelijk was, omdat zij de schade alleen langs bestuursrechtelijke weg via een (spoed)bestuursdwangsbesluit met aanzegging kostenverhaal had kunnen verhalen. Nu zij die weg onbenut heeft gelaten, kon de schade niet via het privaatrecht worden verhaald, aldus gedaagden. Ten minste ten aanzien van een aantal specifieke schadeposten zou naar hun idee het publiekrecht op onaanvaardbare wijze worden doorkruist, waarbij zij verwezen naar het klassieke Brandweerkostenarrest. Volgens de rechtbank was niet in geschil dat de gemeente (spoed)bestuursdwang had kunnen aanzeggen via de publiekrechtelijke weg, maar dit liet de uit het burgerlijk recht voorvloeiende aansprakelijkheid echter onverlet. Ook het (verdere) beroep op onaanvaardbare doorkruising slaagde niet. Het overgrote deel van de door de gemeente gevorderde kosten had naar het oordeel van de rechtbank betrekking op het opruimen van de asbest en niet op de kosten van brandbestrijding en de in dat verband genomen maatregelen.

Opstalaansprakelijkheid

Volgens de gemeente voldoet een opstal waarin asbest is verwerkt - zoals de onderhavige opstal - heden ten dage niet (meer) aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan een dergelijke opstal mag stellen. Dit "gebrek" levert volgens de gemeente gevaar op voor personen en zaken, welk gevaar zich ook heeft verwezenlijkt. De rechtbank ging er niet in mee. Ook ten tijde van de onderhavige brand (en ook thans nog) is het nog steeds geoorloofd om een opstal te bezitten die gedekt is met golfplaten waarin hechtgebonden asbest is verwerkt en bestaat er dus geen verplichting om tot verwijdering daarvan over te gaan, aldus de rechtbank.

Onrechtmatige daad

De gemeente beriep zich verder op onrechtmatige daad. Omdat asbestvezels op de percelen van derden terecht zijn gekomen, hebben gedaagden onrechtmatig gehandeld doordat zij inbreuk hebben gemaakt op het eigendomsrecht van deze perceeleigenaren, aldus de gemeente. In strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheidsplicht hebben zij vervolgens nagelaten deze asbestvezels tijdig en adequaat te verwijderen. Het laten liggen van deze asbestvezels leverde gevaar op voor mens en milieu, waardoor het verwijderen hiervan noodzakelijk was. Gedaagden hebben dan ook onrechtmatig gehandeld jegens de respectievelijke perceeleigenaren, zo betoogde de gemeente. Voor de eigen percelen beriep de gemeente zich op haar hoedanigheid van eigenaar en voor de percelen van omwonenden trad de gemeente als zaakwaarnemer op. De rechtbank stelde de bekende “takkenjurisprudentie” aan de orde (HR 7 mei 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4377, HR 4 november 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8922 en HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1482. Zie nader over de takkenjurisprudentie en enkele uitspraken van lagere rechters hierover ook Gerrit van der Veen en Joost Hoekstra, Tijdschrift Bodem oktober 2015, p. 42-43.). Hij, die wetende dat een hem toebehorende zaak zich bevindt op de onroerende zaak van een ander en nalaat eerstbedoelde zaak te verwijderen, handelt onrechtmatig handelt jegens die ander, ongeacht of zulks aan hem te wijten is, dan wel of die aanwezigheid afbreuk doet aan de veiligheid van gebruikers van die onroerende zaak. De rechtbank wees erop dat de gemeente de kosten in wezen had gemaakt, omdat zij de sanering van alle vervuilde percelen tot haar publiekrechtelijke verantwoordelijkheid/taak heeft gerekend, derhalve ongeacht de vraag of deze percelen al dan niet aan haar in eigendom toebehoren. Dan is volgens de rechtbank van een onrechtmatige daad jegens de gemeente geen sprake. Bovendien was de rechtbank van oordeel dat de gemeente zo voortvarend had gehandeld ter zake van de verwijdering van de asbest, dat niet kan worden gesproken van een (onrechtmatig) nalaten van gedaagden om de asbestvezels te verwijderen. In feite heeft de gemeente gedaagden de kans ontnomen om zélf tot verwijdering van die asbestdeeltjes over te gaan, en dan kan van gedaagden niet verwacht worden dat zij op eigen initiatief zouden zorgdragen voor het overnemen van de asbestverwijderingswerkzaamheden die reeds waren ingezet door de gemeente.

Burenrecht en ongerechtvaardigde verrijking

Ook het gemeentelijke beroep op het burenrecht sneuvelde. Artikel 5:37 BW heeft betrekking op onrechtmatige hinder aan naburige percelen. Omdat er volgens de rechtbank geen sprake was van onrechtmatigheid, was er evenmin sprake van het toebrengen van hinder aan eigenaar van andere erven "in een mate of op een wijze die volgens artikel 162 van Boek 6 onrechtmatig is", zoals in artikel 5:37 BW bedoeld.

De gemeente baseerde haar vordering tenslotte op ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank achtte die vordering ook niet op die grond toewijsbaar. Gelet op de omstandigheid dat gedaagden niet aansprakelijk zijn op grond van de artikelen 6:174 BW, 6:162 BW en/of 5:37 BW, is van een "verrijking" aan de zijde van gedaagden door de asbestsanering in opdracht van de gemeente geen sprake nog daargelaten de vraag of ongerechtvaardigde verrijking in dit geval wel als zelfstandige grondslag naast genoemde grondslagen kan bestaan, aldus de rechtbank.

Conclusie

De rechtbank wijst alle privaatrechtelijke vorderingen af. De les van deze uitspraak voor de prakrijk lijkt vooral te zijn, dat de gemeente beter via een passende bestuursrechtelijke handhavingsactie – op basis van artikel 1a Woningwet of wellicht artikel 17.1 Wet milieubeheer – hadden kunnen optreden. Goede kans dat de gemeente dan wel tot kostenverhaal zou zijn gekomen.

Dit artikel betreft een verkorte versie van het artikel Moeizaam privaatrechtelijk kostenverhaal bij asbestbrand, Gerrit van der Veen en Joost Hoekstra, in Tijdschrift Bodem juni 2016, p. 38-39.

 

 

Terug naar overzicht