Aanvullingswet Grondeigendom Omgevingswet wordt aangepast: bij elke onteigening zal rechter betrokken zijn

30 januari 2017

door: Joost Hoekstra

Op 1 juli 2016 is de consultatieversie van het wetsvoorstel voor de Aanvullingswet Grondeigendom Omgevingswet (“Aanvullingswet”) op internet gepubliceerd. Onderdeel van de Aanvullingswet is een ten dele gewijzigde onteigeningsregeling. In mijn blog van 18 november 2016 ben ik nader ingegaan op deze regeling. In een brief van 20 januari jl. heeft de minister van Infrastructuur en Milieu aangekondigd de onteigeningsregeling uit de Aanvullingswet te zullen aanpassen.

Eén van de belangrijkste wijziging uit de Aanvullingswet betreft dat onteigening niet langer plaatsvindt als gevolg van een koninklijk besluit, maar door een onteigeningsbeschikking genomen door de onteigenende overheid zelf. Er wordt bij wet beroep bij de bestuursrechter opengesteld tegen de onteigeningsbeschikking.

In het in de Aanvullingswet (zoals deze op 1 juli 2016 is gepubliceerd) gekozen systeem was het denkbaar dat een burger die de beroepstermijn laat verstrijken, wordt geconfronteerd met eigendomsverlies zonder enige voorafgaande rechterlijke bemoeienis met betrekking tot de onteigeningsbeschikking. Een wat gechargeerd voorbeeld: je komt terug van een lange vakantie (wereldreis) en bij terugkomst ben je onteigend…

In mijn blog van 18 november 2016 schreef ik al dat op z’n minst in de wet een voorziening zou moeten worden opgenomen op basis waarvan de bestuursrechter in alle gevallen de onteigeningsbeschikking op verzoek van de onteigenaar dient te toetsen of goed te keuren.

Diverse partijen hebben tijdens de internetconsultatie, en ook in de literatuur, zorgen geuit over de positie en de bescherming van de eigenaar in de voorgestelde onteigeningsregeling, die naar hun mening verslechteren ten opzichte van de huidige regeling in de Onteigeningswet, zo schrijft de minister in haar brief. Uit de consultatiereacties en het grootste deel van de adviezen komt onder meer naar voren dat een verplichte rechterlijke betrokkenheid bij de beoordeling van de rechtmatigheid van onteigeningsbesluiten zeer gewenst is, aldus de minister.

De minister heeft zich deze kritiek aangetrokken en kondigt in haar brief aan dat zij voornemens is om de voorgestelde onteigeningsregeling zo te versterken dat de bestuursrechter bij elke onteigening betrokken zal zijn:

In het conceptwetsvoorstel zoals dat eerder ter consultatie en toetsing is voorgelegd, was de toegang tot de bestuursrechter gewaarborgd, doordat de eigenaar beroep tegen de onteigeningsbeschikking kan instellen. Het initiatief om de rechter in te schakelen lag daarmee bij de eigenaar. Gezien alle andere waarborgen in het wetsvoorstel achtte ik het niet waarschijnlijk dat in de praktijk een eigenaar zou worden onteigend zonder dat de bestuursrechter zich heeft uitgesproken over de onteigeningsbeschikking, bijvoorbeeld omdat de eigenaar niet tijdig beroep zou kunnen hebben instellen tegen de onteigeningsbeschikking. Uit de reacties en adviezen blijkt dat het op veel bezwaar stuit dat die mogelijkheid toch niet geheel is uitgesloten. Om iedere schijn van vermindering van de positie en rechtsbescherming van een eigenaar uit te sluiten, ben ik voornemens om de voorgestelde onteigeningsprocedure zo te versterken dat de bestuursrechter bij elke onteigening betrokken zal zijn. De rol om de bestuursrechter in te schakelen komt daarmee bij het bevoegd gezag te liggen. Hiermee wordt gewaarborgd dat het geheel uitgesloten is dat een eigenaar wordt onteigend zonder dat de bestuursrechter zich heeft uitgesproken over de onteigening.

De minister geeft in haar brief ten slotte aan dat zij de komende maanden zal benutten om het voorgaande uit te werken met raadpleging van de betrokken partijen. Via deze blog houd ik u op de hoogte van deze ontwikkelingen.

Op donderdag 13 oktober 2016 organiseerden wij het interactieve client seminar met als onderwerp: “De Omgevingswet”. Voor de presentaties van de sprekers: klik hier.

 

 

Terug naar overzicht