Hoge Raad: geen herbeoordeling na ongeldigheid winnaar in geval van relatieve beoordelingssystematiek

12 mei 2014

Door: Adrienne Geelhoed

De Hoge Raad heeft in een arrest van 9 mei 2014  geoordeeld dat een herbeoordeling niet op zijn plaats was nadat de oorspronkelijke winnaar van de aanbestedingsprocedure alsnog ongeldig bleek.

Het geschil
De gemeente Utrecht had een relatieve beoordelingssystematiek gehanteerd, hetgeen betekent dat de inschrijvingen ten opzichte van elkaar worden gewogen. De ongeldigverklaring van de oorspronkelijke winnaar van de aanbestedingsprocedure, Océ, had tot gevolg dat – na herbeoordeling – de volgorde van de plaatsen twee en drie wisselden. Was in de oorspronkelijke uitslag Xerox op de tweede en Ricoh op de derde plaats geëindigd; na het afvallen van Océ kwam Ricoh op de tweede en Xerox op de derde plaats terecht. In de aanbestedingsdocumenten stond echter een bepaling dat wanneer na verificatie de eerste inschrijver alsnog afvalt, een (verificatie)bespreking met de tweede inschrijver zal worden belegd, dan wel de gehele procedure opnieuw zal worden gestart. De vraag was of de gemeente na het alsnog ongeldig zijn van Océ tot herbeoordeling had mogen overgaan en aan Ricoh mocht gunnen of dat zij met de oorspronkelijke nummer twee (Xerox) een verificatiebespreking had moeten plannen.

Rechtbank en Hof
De rechtbank oordeelde dat de gemeente terecht tot herbeoordeling was overgegaan en de opdracht aan Ricoh mocht gunnen. In hoger beroep kwam het gerechtshof Arnhem echter tot het oordeel dat de procedure in de aanbestedingsdocumenten gevolgd had moeten worden en dat de opdracht aan Xerox gegund had moeten worden.

Hoge Raad
Ricoh betoogt in cassatie onder meer dat het gerechtshof heeft miskend dat de beginselen van het aanbestedingsrecht met zich brengen dat een ongeldige inschrijving geen rol mag spelen in de totstandkoming van een gunningsbeslissing. De Hoge Raad gaat hier niet in mee en bevestigt het oordeel van het gerechtshof. Naar het oordeel van de Hoge Raad is het in overeenstemming met het transparantiebeginsel om – kort gezegd – de vooraf beschreven procedure te volgen in het geval van het afvallen van de oorspronkelijke winnaar. Het transparantiebeginsel strekt er immers mede toe dat de te volgen aanbestedingsprocedure en –systematiek aan inschrijvers vooraf duidelijk kenbaar moet zijn gemaakt, teneinde het risico van willekeur en favoritisme uit te bannen.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het evenmin in strijd is met het gelijkheidsbeginsel dat scores van de twee overblijvende inschrijvers in stand blijven. Deze scores zijn immers tot stand gekomen door toepassing van een beoordelingssystematiek die voor alle inschrijvers gelijk was. De enkele omstandigheid dat een andere onderlinge rangorde van de twee overgebleven inschrijvingen zou zijn verkregen indien deze zouden zijn beoordeeld zonder dat daarbij de aanvankelijk als eerste geëindigde inschrijving te betrekken, brengt niet mee dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Commentaar
Op zichzelf vind ik wel wat te zeggen voor het standpunt van Ricoh in cassatie. Een ongeldige inschrijving wordt immers geacht niet te zijn gedaan en zou dan ook geen rol mogen spelen in de berekening van de scores. In deze zaak heeft blijkbaar – en terecht – de beschreven procedure in de aanbestedingsdocumenten de doorslag gegeven. Inschrijvers waren er van te voren van op de hoogte dat er geen herbeoordeling zou plaatsvinden indien een inschrijving ongeldig zou worden verklaard.

 

Terug naar overzicht